Voor eeuwig en eeuwig – Het Land van Haas
Zoals elk dorp in Frankrijk zijn eigen wijndomein lijkt te hebben, zo vind je in Duitsland musea in de kleinste gehuchten. De Duitsers lijken alles het bewaren waard te vinden. Deze musea zijn meestal niet groot, ze worden opengehouden door enthousiaste vrijwilligers, zelfs op zon- en feestdagen, ook al komt er dagelijks maar een handvol bezoekers over de vloer.
Reis ik door Duitsland, dan kan ik het niet laten om op te zoeken welke bijzondere collecties er toevallig op mijn weg liggen. Zo verzeilde ik enkele jaren geleden in het sponzenmuseum van Meckelstedt. Hier lagen sponzen van duizenden jaren oud, die uit opgedroogde oceanen stamden, terwijl andere exemplaren nog maar net uit het water waren geplukt. Het was de grootste collectie ter wereld, maar voor mijn ongeoefende ogen leken ze allemaal eender.
In een historisch dorpje op nog geen kwartier van Dresden heb ik dan weer eens een half uur zitten kijken naar tientallen leeg geprikte, met de hand beschilderde kwarteleieren. De oude vrouw die me hartelijk begroette bij mijn binnenkomst, had opvallend bolle wangen, alsof ze al deze eieren hoogstpersoonlijk uitgeblazen had. Haar vrolijkheid stak schril af tegen de taferelen die met veel oog voor detail op de eierschalen geschilderd waren. Die toonden alle rampen die het dorp in zijn lange geschiedenis waren overkomen: epidemieën, mislukte oogsten en de daaruit volgende hongersnoden, aardverschuivingen, plunderingen, overstromingen, … Alleen aan een allesverwoestende meteorietinslag leek dit nu vredige gehucht in het verleden te zijn ontsnapt. Ik herinner me de vele onbeschilderde eieren, voorbereid op nog meer rampspoed.
Niet alle musea in Duitsland lijken het resultaat van een uit de hand gelopen hobby. Bijzonder fascinerend vind ik de musea die gewijd zijn aan mensen. Men hoeft daarvoor geen uitzonderlijk leven te hebben geleid. Dat Hanz Pölcher in de jaren 1950 heel even de sterkste man ter wereld was, rechtvaardigt misschien wel het ‘Haus Hanz Pölcher’ in Wettin-Löbbejün, maar de tentoonstellingsruimte, niet groter dan een woonkamer – sterker nog, het was Pölchers oude living – had toch vooral aandacht voor zijn verdwijning in 1983. Hij was nooit gevonden. Volgens de buren gedroeg de krachtpatser zich als een zonderling en dus had de politie niets gedaan met de stapels papier die in zijn huis gevonden waren en die volgeschreven stond met onleesbare teksten. Pölchers zoon had er zijn levenswerk van gemaakt om deze notities van zijn vader te ontcijferen, men kon hem – intussen ook een eind in de zeventig – aan een tafeltje zien zitten, hopeloos pogingen ondernemend om in al die inderhaast neergepende krullen en lijntjes iets te vinden wat hem zou helpen om zijn vader na al die jaren terug te vinden. Verschillende theorieën had hij intussen: ontvoerd door de maffia wegens gokschulden, een nieuw leven begonnen op een berg in Spanje en zelfs meegenomen naar een andere planeet met de bedoeling ooit terug te keren en de mensheid naar een hoger bewustzijnsniveau te brengen. Museumbezoekers werden uitgenodigd om enkele uren mee te speuren. Ik kon mij er gelukkig snel vertrekken met het excuus dat Duits niet mijn moedertaal was.
Bijzonder fascinerend vind ik musea die gewijd zijn aan mensen.
Van alle musea die ik in al die jaren heb bezocht, is er eentje waar ik steeds weer aan moet denken. Het is het mooiste museum van heel Duitsland, misschien wel het mooiste in de hele wereld, en het is te vinden in het Duitse provincieplaatsje Ebeleben. Het zogenaamde Brüdermuseum heeft als onderwerp de tweeling Adolf en Wilhelm Haas, twee jonge boerenzonen die in 1896 geboren werden en dus de pech hadden om net tot die generatie Duitse jongens te behoren die tussen 1914 en 1918 grotendeels verdween in de loopgraven. Ik verwachtte mij op basis van de summiere informatie die ik had aan een museum dat over de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog zou getuigen. Hun wonderlijke verhaal bleek heel anders te lopen. Adi en Willi – zoals ze door iedereen werden genoemd- hadden zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog volledig aan zich voorbij laten gaan. Toen hen in 1945 ter ore kwam dat de oorlog die door hun vaderland was gestart opnieuw definitief afgelopen was, konden ze wellicht alleen maar denken aan hoe ze elkaar al 33 jaar niet meer hadden gezien.
Het Brüdermuseum is niet groot, maar ik heb er tijdens mijn bezoek uren rondgelopen, van zodra ik begreep welk verhaal hier werd verteld. Ik heb er notities genomen, sommige daarvan zijn intussen onleesbaar, maar op basis daarvan wil ik ook hier de geschiedenis van de gebroeders Haas delen. Wat ik me onder meer herinner is de gigantische boekenkast in het begin. Dat was een reconstructie van de bibliotheek van grootvader Haas, een man die leed aan leeswoede, zonder evenwel onderscheid te maken tussen hoge of lage literatuur. De collectie bevatte volgens mijn aantekeningen boeken die begin twintigste eeuw populair waren in Duitsland: de reisavonturen van Karl May, het verzameld werk van Goethe en een hele plank aan sentimentele Alpenromans. Maar vooral de 33 banden met de reisverslagen van ontdekkingsreiziger en wetenschapper Alexander Von Humboldt springen in het oog. Waar boeken mij mijn hele leven al verhinderen om ook maar iets te ondernemen, raakten Adi en Willi in de ban van de onbekende werelden die Humboldt beschreef. Volgens het museum liepen de broers dankzij deze boeken hun ‘Ontdekkingsdrift’ op – een woord dat ik heb genoteerd omdat ik het zo mooi vond – en droomden ze ervan om ontdekkingsreiziger te worden. Grootvader Haas, die Ebeleben zelf nooit had verlaten en dat pas als een gemis ervoer toen hij al te oud was om nog te vertrekken, schonk daarom op kerstdag 1909 aan elk van zijn kleinzonen een duur kompas, die hij had gekocht van een bevriend handelsreiziger. Deze geavanceerde toestellen konden niet alleen het Noorden van het Zuiden onderscheiden, ze duidden ook de breedte- en lengtegraden tot op de seconde aan. De originele toestelletjes lagen tentoongesteld in het museum en leken bedacht door een gek geworden klokkenmaker.
De broers Haas droomden ervan om zelf ontdekkingsreiziger te worden.
Grootvader Haas wakkerde zo hun ambitie om de wereld te ontdekken nog verder aan. En ook al heerste in die tijd ook al het geloof dat de mens al overal was geweest, toch verkondigden de broers Haas al snel dat er altijd wel een pad niet betreden is. Die uitspraak, die jaren na hun dood leek te zijn verzonnen door een museummedewerker, viel in hun geval letterlijk te nemen. Ze maakten plannen voor een wereldreis. Het was niet duidelijk of ze zich voor hun eerste – en naar wat later bleek uiteindelijk ook enige – reis de inspiratie vonden bij Jules Verne of bij de reis van Columbus naar Indië, maar origineel was het wel. De broers vatten namelijk het plan op om met behulp van hun kompas de wereld in één rechte lijn rond te wandelen: de ene broer richting het oosten, de andere westwaarts. Hun te volgen lijn lag op 51 graden, 10 minuten en 6 seconden noorderbreedte, precies die breedtegraad die door de parochiekerk van Ebeleben liep. De bedoeling was om zo geschiedenis te schrijven. De plek waar ze elkaar weer zouden ontmoeten, zouden ze voor altijd het Land van Haas dopen. Ze berekenden dat hun reis hooguit vijf jaar kon duren en maakten zelfs weddenschapen over waar het land van Haas zou komen te liggen: Volgens Adolf moest dat ergens in de buurt van een moderne Amerikaanse stad zijn, terwijl Wilhelm er van uit ging dat ze elkaar tegemoet zouden lopen op de Russische steppe. Ze hadden op voorhand een heel romantisch beeld van die ontmoeting: twee stippen die van aan de horizon dichter naar elkaar toe zouden bewegen, als spiegelbeelden die elkaar weer vonden.
Daags voor hun vertrek op 29 mei 1911 besliste een ‘Drei Mark’-muntstuk met de beeltenis van keizer Wilhelm II dat Adi richting België zou wandelen, terwijl Wili verder het Europese vasteland introk. In het museum hing een wereldkaart die hun geplande route toonde. Die maakte meteen duidelijk hoe hopeloos naïef de jongens waren. Zo lagen bergen, rivieren en zeeën uiteraard veelvuldig in de weg, iets waar Adi en Willi zich duidelijk geen echt beeld van konden vormen, hoe vaak ze ook Humboldts werk hadden gelezen. Het had natuurlijk ook te maken met de context waarin ze opgroeiden. Generatie na generatie werden mensen uit de familie Haas geboren in Ebeleben en gingen ze er ook weer dood. Niet verwonderlijk dus dat ze de weilanden en verre uitzichten die rond hun dorp lagen als uitgangspunt namen.
Nu, natuurlijke grenzen kun je met doorzettingsvermogen en het nodige geluk nog wel overwinnen, maar wat ze op voorhand niet hadden kunnen bevroeden, was hoeveel tijd je in de bewoonde wereld kon verliezen, in al die steden en dorpjes waar ze moesten werken om hun reis verder te kunnen zetten, waar ze verliefd werden op vrouwen van wie ze op voorhand wisten dat ze hen op een dag weer zouden achterlaten, waar ze soms wekenlang voor hun leven vochten in hospitalen.
Dat het museum grote delen van hun reis heeft kunnen reconstrueren is te danken aan de dagboeken die ze al die jaren bijhielden. Dat hadden ze geleerd van Humboldt, al moet ik nog altijd lachen als ik denk aan hoe verschillend de broers hierin waren. Op basis van de enkele schriften die Adi Haas in 40 jaar heeft volgeschreven, zou je kunnen vermoeden dat hij gewoon thuisgebleven was al die tijd. Dat kwam niet alleen omdat hij tijdens zijn reis verschillende van zijn dagboeken verloor, maar ook omdat hij de aanpak hanteerde van een boekhouder, met afkortingen en puntsgewijze opsommingen die in de loop der jaren steeds korter en daardoor zelfs wat cryptisch werden. Willi had veel meer woorden nodig om zijn reizen te beschrijven. Nageteld heb ik ze niet, maar het moeten meer dan 50 schriften zijn geweest, die hij al die jaren met zich meegezeuld heeft en die op de eerste pagina telkens dezelfde titel kregen: ‘Reisverslag van de zoektocht naar het Land van Haas’. Hoe verder de schriften in de tijd gaan, hoe kleiner Wilhelm Haas begon te schrijven in de hoop het gewicht van zijn woorden behapbaar te houden, maar nooit paste hij zijn schrijfstijl aan. Uitvoerig, in lange zinnen zoals alleen de Duitsers dat kunnen, scheef Willi alles op wat hij zag, voelde of dacht. Men zou bijna vermoeden dat hij daarom zo lang over zijn reis had gedaan, de dagen die hij nodig moet hebben gehad om dat allemaal te noteren. Toen ik al deze dagboeken zag liggen, herkende ik er mijn eigen buien van schrijfdwang in, het gevoel dat niets verloren zal gaan, als je het maar op papier zet.
Misschien is het daarom dat de reis van Willi mij meer raakte. Adolf Haas mag dan ook lang zijn onderweg geweest, uit alles wat ik van hem las in het museum, bleek dat geen enkele hindernis echt onoverkomelijk was. Hij is al die jaren als een ontdekkingsreis blijven zien, waarbij het doel minder belangrijk was dan de tocht. Bij Wilhelm werd het al van bij het begin aandoenlijk. Zo blijkt uit zijn eerste notities dat hij liever naar het westen was gewandeld. Hij had graag sneller de zee gezien, zo schreef hij al op dag vier: “Mijn broer, die altijd meer van bergen heeft gehouden, nooit zo naar het water heeft verlangd als ik, er niet over droomde, zit vast al op een boot richting het Amerikaanse continent, hij zal walvissen als oceaanreuzen zien opspringen uit de onbekende dieptes die ik zo graag van dichtbij zou willen kunnen zien, als ik maar kieuwen had.”
Heeft Wilhelm ooit geweten dat Adi inderdaad al snel de boot richting Engeland nam, maar vervolgens maanden bleef hangen in het onbeduidende Petersfield? Het is een vreemd verhaal dat men door de schamele notities van Adolf blijkbaar nooit helemaal heeft kunnen verifiëren, maar toen de broer door het dorpje liep, zou een welgestelde man in hem zijn pas overleden oudste zoon hebben herkend en hebben geloofd dat die uit de dood was teruggekeerd. Adi, die in Ebeleben nooit rijkdom of vaderliefde van die aard had gekend, moet zich beiden hebben laten welgevallen. Wat hem er uiteindelijk toe dreef om toch zijn boeltje te pakken, zijn aangenomen Engelse naam af te werpen en richting Clovelly Harbour te vertrekken, waar hij op een grote vissersboot stapte die hem de Atlantische oceaan zou overbrengen? Dat bleef gissen. Tussen de lijnen door kon ik als bezoeker afleiden dat het ook de museummedewerkers moet hebben gefrustreerd dat er van Adi’s reis veel minder details bekend zijn. Zo werd er gesuggereerd dat rond de periode dat Adi op de Atlantische oceaan zat, ook de Titanic moet gezonken zijn. Meer dan een suggestie leek het me niet, een manier om de bezoeker duidelijk te maken in hoeverre de geschiedenis van de broers Haas ook gevormd werd door de wereldgeschiedenis.
Ondanks die pogingen kon ik me daar in dat museum in Ebeleben nooit van de illusie bevrijden dat ik hier een geschiedenis ontdekte die los stond van de tijd. Als Willi op zijn tocht het plaatsje ‘Czernobyl’ doorwandelde, dan had dat voor hem niet dezelfde betekenis als voor ons vandaag. Wij vormen ons meteen een beeld, een emotie, die niets te maken heeft met de plek die hij moet hebben gezien. Toch was het ook voor hem niet onbeduidend. Hij kwam er in contact met een loslopende hond die twee uur lang voor hem uitliep, precies in die richting die het kompas aangaf. “Af en toe kijkt het dier naar achter, alsof hij mij me aanmaant niet langer te talmen, en even lijkt het alsof ik een metgezel heb gevonden zoals mijn broer de eerste jaren van mijn leven een metgezel voor me is geweest en die ik elke dag steeds harder mis. De hond, zo hoop ik, zal mij voor de rest van de reis vooropgaan, mij de weg wijzen, maar dan plots schiet er een haas de weg over – een haas dan nog! – en rent het dier achter hem aan, laat hij mij alleen achter. Ik weet niet wat mij toen overviel, welk gevoel van wanhoop, maar ik heb mij aan de kant gezet en heb uren aan een stuk zitten schreien, me afvragend of Adi nu ook zat te huilen. En toen ik geen energie meer over had, legde ik me te rusten, om vanochtend te merken dat het verdriet weer wat gaan liggen is. Ik heb mijn kompas genomen en weer de juiste lijn gezocht. Wat ik niet vergeten mag, is dat zolang ik op deze lijn blijf gaan, ook mijn broer mij vooropgaat, dat hij zich zowel achter mij als voor mij bevindt, dat ik maar hoef te zwaaien naar beide kanten om te weten dat wij, als in een uit de hand gelopen versie van tikkertje, dit spel samen aan het spelen zijn.”
Het was maar een van de vele liefdesbetuigingen die Wilhelm schreef aan zijn broer en die in het museum te lezen waren. Ook Adi moet zijn broer hebben gemist, maar als hij er al over schreef, dan vond het museum niet nodig om die teksten aan de bezoeker te presenteren. Als Adi zich al overgeeft aan emoties in zijn verslagen, dan is het tussen de lijnen door. Zo schreef hij wanneer hij aan land komt na het oversteken van de oceaan. “Niet in de VS aangemeerd, maar in Newfoundland Canada. Hoe kan dat nu?” Misschien had Adolf net als vele Europese migranten in de jaren voor hem ervan gedroomd om het bruisende, jonge Amerika te zien? In de plaats daarvan moest hij door onherbergzaam gebied trekken, waar hij soms wekenlang nauwelijks iemand sprak. Uiteindelijk kwam hij aan in Calgary, een erg levendige stad die niet moest onderdoen voor de Amerikaanse steden en die hem uiteindelijk vijftien jaar zou bezighouden. Hij vond er werk als houthandelaar.
Ook Willi bleef soms meerdere jaren op dezelfde plek hangen, maar nooit zo lang als zijn broer. Hij deed het wanneer de wereld hem weer eens te groot werd. Vertrekken deed hij op het moment dat de plaats waar hij stil was blijven staan “toch te ver weg bleek van alles.” Ook wanneer hij niet in beweging was, bleef Willi schrijven, maar ik kon me op basis van de teksten die ik in het museum las niet van de indruk ontdoen dat hij in die periodes vooral een gewoonte niet probeerde te verliezen, alsof hij bang was dat hij anders zou stoppen met schrijven.
Een van de mooiste teksten die Willi schreef en die integraal in het museum te lezen is, maar die ik hier omwille van zijn lengte alleen maar parafraseren kan, is het verhaal dat een visser hem zou hebben verteld aan de oever van de Dnjepr. De rivier is in zijn hele loop nergens zo breed als op die breedtegraad. Moedeloos beslist Wilhelm om zich een tijdje in het vissersdorpje in de buurt te vestigen, Hij maakt er vrienden, ondanks het feit dat ze niet dezelfde taal spreken. En dus hoort hij op een dag dat er in de Dnjepr een prehistorische vis zwemt. Van deze vis zou er nog maar één exemplaar bestaan, maar gedreven door zijn instincten zwemt dit dier de hele wereld rond, op zoek naar een vis van dezelfde soort. Daarom laat hij zich zelden zien. Hij is altijd wel elders in de wereld, springt van rivier naar rivier, kan zowel tegen zoet als zout water. Niets houdt hem tegen in zijn zoektocht om die ander te vinden. De grap is dat de vis gelijk heeft, er bestaat nog een soortgelijke vis, maar die doet precies hetzelfde. Door hun onrust zwemmen ze al hun hele bestaan van elkaar weg. Ik weet niet of ik het geloof, het lijkt me alsof Wilhelm naar manieren heeft gezocht om te verwoorden hoe hij zich op dat moment voelde. Toch wil ik het graag voor waar aannemen. Hij schrijft zelf in zijn dagboek dat “dit verhaal duidelijk al eeuwen op mijn komst lag te wachten, een verhaal dat vele mensen hier kennen, maar voor geen van hen dezelfde betekenis heeft als voor mij.” Het verhaal duikt wel vaker op, hij zou zijn hele reis troost vinden in het idee dat deze vis de wereld rond zwom, misschien ook door zijn broer werd opgemerkt, net zoals hij de vis zag opduiken in de Wolga, het Baikalmeer of de zee van Ochotsk.
Even dacht ik tijdens mijn bezoek dat het verhaal daar eindigen zou, dat de broers nooit meer werden herenigd, maar soms eindigen ook echte verhalen als sprookjes. Hun wegen moeten zich grotendeels hebben gespiegeld, maar eerder als in een spiegel die barsten vertoont. Men kan niet met zekerheid zeggen of er ooit ergens op deze wereld een punt is geweest waar de twee broers elkaar heel dicht hebben benaderd, maar dat kan toch niet anders. Heel even moet het land van Haas toch voelbaar zijn geweest? Ik stel me voor dat er getuigen hiervan zijn geweest, zonder dat ze het zelf doorhadden, mensen die in de ene broer de andere herkenden, maar in zulke toevalligheden, die dagelijks meermaals voorkomen, gelooft niemand tot bewijs van het tegendeel. Het is de grote vraag waar ook het museum geen antwoord op vond.
Wat wel zeker is, is dat eind november 1953 Adolf Haas, 42 jaar nadat hij vertrokken is, weer komt aangesjokt in het dorpje Ebeleben. Pas wanneer hij begint te vertellen over zijn tocht, begint het bij de enkele generatiegenoten die nog overblijven, mannen en vrouw die het dorp nooit hebben verlaten, tenzij om te gaan vechten tegen de vijand, te dagen wie deze zestigjarige man is. Van zijn broer heeft niemand nog iets gehoord, maar Adi voelt dat die nog leeft. Het bewijs daarvan komt een half jaar later het dorp binnen gewandeld. Wilhelm wordt meteen verward met de wat eigenaardige man die zes maanden eerder in het dorp is komen wonen. In het museum staat over hun wederzien één flauw zinnetje, over hoe blij ze waren om elkaar te zien, maar ik geraak vooral ontroerd als ik weer terugdenk aan de foto’s die er hangen, foto’s van het feest dat het dorp ter ere van hun twee legendarische ontdekkingsreizigers destijds organiseerde. Ik krijg een krop in de keel bij het zien van de verweerde gezichten van die twee oude mannen die hetzelfde leven heb geleid maar dan in omgekeerde volgorde, elkaar hun hele leven hebben gemist door kompassen die wellicht de nauwkeurigheid misten om hun oorspronkelijke plannen tot een goed einde te brengen. Heel lang hebben de broers niet meer geleefd daarna.
Toen ik destijds het museum verliet, was ik vooral blij dat ik er niet voor gekozen had om recht naar mijn bestemming te rijden. Nu, verschillende jaren later, meen ik soms te twijfelen aan wat ik heb bezocht, maar dan moet ik ook meteen weer denken aan die laatste omweg die ik maakte op aanraden van het museum. In plaats van meteen mijn auto in te stappen en weg te rijden, ben ik te voet naar de rand van Ebeleben gewandeld en heb er minstens tien minuten zitten kijken naar het houten bordje dat daar al sinds 1954 staat en dat daar volgens de mensen van het museum voor altijd zal blijven staan, hoeveel oorlogen de wereld ook nog zou kennen. Op dat bordje stond geschreven: “Hier liegt für immer und immer das Land von Haas.”