De allesweter
De allesweter noemen ze hem. Hij gaat tijdens zaalquizzen steeds met de hoofdprijs lopen, laat zich in geen enkel vakgebied onberoerd, weet van welk hout pijlen gemaakt horen te zijn en hoe dat van streek tot streek variëren kan. De uitgeverij heeft hem ingehuurd om mijn boek na te lezen op inhoudelijke fouten. Ik mag dan wel fictie schrijven, men heeft graag dat de details kloppen. Vroeger stuurde hij paginalange rapporten met correcties – er is immers veel dat schrijvers niet weten – waardoor auteurs er soms de brui aan gaven. Daarom is het volgens de uitgever beter dat ik gewoon bij de allesweter langsga om samen de correcties te overlopen.
Ik verwachtte mij aan een professorstype, een man met een grijze baard, maar hij heeft met zijn smalle gezicht meer weg van een marathonloper. Nadat ik hem een hand heb gegeven, zegt hij dat mijn handdruk sterk gelijkt op de handdruk die hij ooit kreeg van Arne Pohl, een professioneel bergbeklimmer. “Ik las toen zijn biografie na. Vol fouten stond die. Schaamteloze zelfoverschatting, die hem uiteindelijk ook het leven heeft gekost. Hij is te pletter gevallen toen hij puur op spierkracht, zonder touwen, een rotswand in de Amerikaanse Appalachen naar boven wou. Had hij mij gebeld voor die klim, dan had ik hem op basis van die handdruk kunnen zeggen dat het niet zou lukken.”
Wat er langs de buitenkant uitzag als een rijtjeshuis, lijkt binnen op een bibliotheek die beginnen woekeren is. Overal liggen boeken. Ik heb de drang om de ruggen te gaan lezen, te ontdekken waar al die kennis van de allesweter dan vandaan komt, maar die kans krijg ik niet. Opeens bevinden we ons in zijn bureau en die is dan weer ingekleed als een verhoorkamer in een communistische staat, met enkel een tafel en twee stoelen. Dat het zo ingericht is, heeft te maken met zijn neiging om anders toch afgeleid te geraken door de boeken om hem heen. “Het meeste heb ik dan wel gelezen, maar ik moet natuurlijk alles blijven opfrissen.” En meteen daarna vertelt de allesweter me dat deze tafel en stoelen gemaakt werden door een meubelmaker met de merkwaardige voornaam Volotin, genoemd naar de Oezbeekse kogelstoter Volotin Krozinov, waar de vader van de meubelmaker heel erg tegen op keek. Waarom die vader zo’n bewondering had voor de kogelstoter, kan hij ook uitleggen, maar dat zou ons te ver leiden, hij zou het dan ook moeten hebben over het geboortedorp van de man en de geschiedenis daarvan, en ook over het kogelstoten zelf en het ontstaan van die sport, en dat zou ons te ver leiden. We gaan onze tijd nodig hebben voor jouw manuscript, zegt hij.
"Het meeste heb ik dan wel gelezen, maar ik moet natuurlijk alles blijven opfrissen."
Mijn manuscript ligt op tafel, zij het afgedrukt op A3, met op elke pagina meerdere woorden in het rood omcirkeld. Van die rode cirkels vertrekken pijltjes naar notities in de marge. Er ligt een stapeltje boeken naast. “Aan je manuscript heb ik een stevige kluif gehad,” verklaart hij, “maar zo heb ik het graag.” Een stevige kluif aan iets hebben, dat wist ik vermoedelijk niet, dook als Nederlandse uitdrukking voor het eerst op in 1643 in het boek ‘Droufheydt vliedt”, waarin de schrijver Jacobus van Hielderiefe vertelt over een uit de dood herrezen rederijker. “Bijzonder werkje voor zijn tijd.”
Maar nu is het echt wel tijd om ter zake te komen. Het eerste waarover de allesweter struikelde is de term ruwe popeline die ik in mijn eerste verhaal gebruik over een stoffenhandelaar. “U hebt dat vast gewoon gegoogeld. Maar ruwe popeline is een contradictio in terminus, zoals de Latijnse historiekschrijver Papullus het als eerste omschreef. Popeline is namelijk zacht. Hij neemt het onderste boek van de stapel, een stoffenboek met staaltjes. Ik mag voelen en moet hem gelijk geven. “We kunnen het aanpassen naar Torque, wat wel voldoet aan je omschrijving, of de term ‘ruwe’ schrappen’.
Een paar verhalen verder heb ik het kort over de vuurhagedis. “Maar in dit wetenschappelijk referentieboek waarin alle schubreptielen opgelijst staan, vind ik daar geen enkel spoor van terug. Bedoelde u misschien een vuursalamander? Zoja, dan moet natuurlijk ook het gedrag dat u in het verhaal beschrijft aangepast worden.” Ik zeg hem dat een aantal elementen uit mijn verbeelding komen. Ik schrijf nu eenmaal fictie. Met dat antwoord neemt hij geen genoegen. “Ik vermoedde al dat u er zo over dacht. Er staan best veel realia – mensen, plaatsen, diersoorten – in uw verhalen waarvan in de echte wereld geen spoor te vinden is. Neem nu dit verhaal waarin u afreist naar een Duitse plaats die Wenigerode heet. Stel u nu eens voor dat iemand op basis van dit verhaal daar ook naartoe wil en dan moet vaststellen dat dat niet kan? Heel lezersvriendelijk is dat toch niet.”
Maar ik ben echt in Wenigerode geweest, zeg ik hem. Ik heb echt bij de fontein gestaan en me daar in het water weerspiegeld gezien. Ik toon hem als bewijs de foto’s op mijn telefoon. “Vast AI”, zegt hij. Hij heeft het opgezocht n in het plaatsnamenregister van Duitsland, zelfs gekeken naar andere mogelijke schrijfwijzen, en zo het plaatsje Werendoge gevonden, waar zich in 1483 een komeetinslag voordeed waarvan je de krater nog steeds kan bezoeken, in de vorm van een meer. “Maar een fontein is daar niet.”
"Ik schrijf nu eenmaal fictie."
Hij stelt zich ook vragen bij de historische figuren die ik her en der opvoer. Ons gesprek begint nu te lijken op een gesprek dat ik in mijn studententijd wel eens had met een docent, die mij vertelde waarom ik voor zijn vak niet geslaagd was. In plaats van de fictiekaart te trekken, die duidelijk niet werk, opper ik dat ik me moeilijk voorstellen kan dat hij iedereen kent die ooit heeft bestaan, en dus kan hij volgens mij ook niet met zekerheid zeggen dat de mensen die ik in mijn boek beschrijf ook niet echt hebben bestaan. Licht gepikeerd begint hij mijn stamboom op te sommen, alle voorouders met naam en voornaam en activiteit. Hij is er minstens 10 minuten zoet mee. “Speciaal opgezocht tijdens het nalezen van uw boek” besluit hij “En dan moeten vaststellen dat er van die ooms en voorouders die jij vernoemt, haast geen enkele bestaat”.
Nochtans is alles wat in mijn verhalen staat echt gebeurd, zo vertel ik hem. “Ook jou heb ik echt ontmoet, ik weet het nog goed. Ik ontmoette jou in jouw huis, we zaten samen aan een tafeltje in een verder lege kamer.” De factchecker lacht. Hij denkt te begrijpen wat ik aan het doen ben, maar ik ga gewoon verder. “Je had het over kluiven, over popeline, over het Duitse plaatsje Werendoge enzovoort.”
De allesweter begint ongemakkelijk te schuifelen op zijn stoel, want ik ga verder. Ik vertel over hoe ik hem vertelde hoe alles in mijn verhalen echt gebeurd is, ook hij, en ik bewijs hem hoe dat weer precies zat. En hoe vaker ik het verhaal in elkaar klik, zoals matroesjkapoppetjes, hoe minder de allesweter weet, hoe minder hij de fictie van de verbeelding kan scheiden. Hij probeert zich nog te verweren door feiten over mij te roepen, te beschrijven hoe ik er uit zie (“een schildpaddenmondje noemen je vrienden het!”), mijn diepste geheimen op tafel te gooien, maar ik vertel hetzelfde verhaal opnieuw en opnieuw, tot hij helemaal verdwenen is.
Voor ik hier wegga, wandel ik naar zijn bibliotheek. Ik lees de ruggen van de boeken die hem alles hebben geleerd en hier nu voor altijd nutteloos zullen blijven staan. Niemand zal dit huis ooit nog binnengaan, niemand zal de allesweter missen. Wat ik me als laatste afvraag: zou er ergens in deze boeken beschreven staan hoe je allesweters kan verslaan?